Ontwikkelingslanden: brood of
computers?
Heeft het zin computers te
sturen naar ontwikkelingslanden of is de bevolking meer gebaat bij medische
hulp en voedsel? In The Standard
verschenen verleden week twee tegenovergestelde meningen over deze vraag;
het leek nuttig deze opinies weer te geven.
Voedsel is belangrijker
Telefoons, computers en Internet
zijn gemeengoed geworden voor de West-Europeaan, de Amerikaan en sommige
Aziaten - maar toch vormen zij slechts een klein eilandje in een enorme
zee van mensen die geen toegang hebben tot de moderne communicatiemedia.
Er zijn meer Internet-accounts in Londen dan in het hele werelddeel Afrika.
Het grootste deel van de wereldbevolking heeft zelfs nog nooit een telefoongesprek
gevoerd.
Op de Creating
Digital Dividends-conferentie in Seattle verleden maand werd onderzocht
hoe deze kloof overbrugd kan worden, en hoe digitale technologie een duurzame
globale ontwikkeling kan bevorderen door commerciële en sociale belangen
te vermengen. Op de conferentie beklom bedrijf na bedrijf het spreekgestoelte,
en stelde ingenieuze projecten voor, van gemeenschappelijke mobiele telefoons
in Bangladesh tot een dienst die inheemse kunstenaars in kontakt brengt
met de on line markten. Een woordvoerder van Hewlett-Packard stelde HP's
"World E-Inclusion Initiative"
voor, waarbij 1 miljard dollar uitgetrokken wordt voor producten en diensten
voor de achtergebleven en landelijke gebieden. Rob Glaser, CEO van RealNetworks
had het over de kracht van streaming media om censuur te bestrijden en
schendingen van de mensenrechten in gebieden zoals Joegoslavië.
Toen Bill Gates het podium betrad,
had hij het niet over hi-tech, maar... over gewone gezondheiszorg. De Microsoft-voorman
stelde de vraag: "Wat heeft het voor zin om Internet-toegang te hebben,
als je niet eens geld genoeg hebt om naar de dokter te gaan?"
De Bill
en Melinda Gates Foundation, een van de meest gesubsidieerde stichtingen
ter wereld, besteedt ongeveer 60% van haar activiteiten aan initiatieven
i.v.m. de wereldgezondheidszorg, en slechts 30% aan "digitale kloof"-projecten
zoals het toegankelijker maken van computers in het onderwijs en de bibliotheken.
Bill Gates wees erop dat 8 miljoen kinderen elk jaar sterven wegens gebrek
aan voldoende vaccinaties.
In zijn opiniestuk in The Industrial
Standard (European Edition) geeft journalist Kevin Werbach Gates gelijk.
Gates' redenering is moeilijk te weerleggen. Vier miljard mensen hebben
een inkomen van minder dan 1.800 euro per jaar per inwoner - vijf euro
per dag. Meer dan 8 miljard mensen hebben zelfs minder dan 1 euro per dag.
Vooraleer zij ook maar kunnen denken over communicatie en computers, is
hun voornaamste bekommernis: hoe te overleven en gezond te blijven.
Gates gaf toe dat het geen of/of
keuze is, maar een kwestie van prioriteiten. Technologische ontwikkeling
brengt enorme voordelen voor de armere gebieden, maar het zou de inspanningen
om de basis levensstandaard te verhogen niet mogen vervangen.
Afstappen van klassiek gezichtspunt
Adam Clayton Powell III, vice-president
van de afdeling technologie en programma's bij het Freedom
Forum, reageerde in een opiniestuk op de toespraak van Gates. Met name
Gates' uitspraak dat de Derde Wereld niet on line gebracht kan worden omdat
de mensen er arm zijn en er geen elektriciteit is, stuit bij hem op weerstand.
Hij geeft Gates gelijk in zijn uitspraak dat een groot deel van de wereld
geplaagd wordt door honger en ziekte, maar stelt vragen bij Gates' bewering
dat de ontwikkelde landen voedsel zouden moeten sturen, eerder dan het
Internet daar te verbreiden.
Volgens Powell heeft Gates een verkeerd
beeld voor ogen van het Internet-gebruik: dat van één persoon
die achter één machine zit. Bovendien is voedsel nu eenmaal
enkel goed om de dringendste nood te lenigen. Tot in de verste hoeken van
de wereld heeft het Internet bewezen dat het mensen kan helpen leren zichzelf
te voeden.
Als voorbeeld voor dat verkeerd beeld
haalt Powell Zuid-Afrika aan. Tijdens het apartheidsregime aldaar kwamen
de programmamakers van SABC, de staats
tv- en radiozender tot de conclusie dat zwarte Zuid-Afrikanen geen tv keken.
Zij waren te arm, en hadden geen elektriciteit. Maar Powell ondervond zelf
tijdens zijn reizen hoe verkeerd die opinie wel was: in elke township en
dorp dat hij bezocht werd wel degelijk tv gekeken, zelfs in de krotten
gemaakt uit karton en verroest staal. Zelfs in de dorpen zonder elektriciteit
werd gekeken.
Hoe dat mogelijk was? De tv-ontvangers
werden vaak gedeeld door verschillende families. Waar er geen elektriciteit
was, stonden er in sommige dorpen tv-toestellen die op zonne-energie werkten.
Of keken de mensen naar toestellen die op batterijen werkten, die elke
ochtend afgehaald werden, opgeladen en teruggebracht naar de huizen - op
tijd voor de dagelijkse portie van de lokale versie van The Young and the
Restless. De misvatting over de zwarte kijker ontstond omdat in het tijdperk
van apartheid, toen de blanken de zwarte townships niet bezochten, zij
zich baseerden op hun éigen beeld van het tv-kijken: met het gezin
in de huiskamer, kijkend naar een tv waarvan de stekker in de muur verdween.
Zij waren niet voorbereid op een andere manier van tv-kijken.
Net zoals de SABC-kijkcijfers miljoenen
Zuid-Afrikaanse kijkers miste, zo onderschatten vele Amerikaanse en Europese
experts, en ook Gates, het gebruik dat in Afrika en Azië gemaakt wordt
van het Internet, en daaruit voortvloeiend het potentieel dat het heeft
in de minder begenadigde delen van de wereld. Van Zuid-Azië tot Zuid-Amerika
zijn er talloze voorbeelden van geïsoleerde en arme landelijke gebieden
die tot economische ontwikkeling komen, dank zij Internet-verbindingen.
Arme families in India en Afrika komen weliswaar on line met oude 386-comptuers
en marginale verbindingen -het Internet komt in sommige delen van Congo
de computer binnen via de kortegolf-radio- maar eens zij on line zijn,
zijn ze verbonden met informatie over zuiver water en gezondheid, met wereldmarkten
en met inkomsten.
Het is zelfs zo dat velen baat hebben
bij het Internet juist omdát ze arm zijn. Computers en het Internet
laten de minst bedeelden van de wereld aansluiten op een wereldwijde communcatie
die hen vaak minder kost dan een gewoon telefoontje of zelfs een brief.
Op sommige plaatsen is het Internet zelfs de enige manier van communiceren.
Neem als voorbeeld een klassieke
toepassing die niet zo veel gebruikt wordt door de beter bedeelde Europeanen
en Amerikanen: de publieke Internet-kiosken. In Peru worden ze Internet
Cabinas genoemd. Volgens de officiële cijfers is het Internet er enkel
voor Peru's elite, de top 1% van het land. Maar in de straten van Lima
zie je een heel ander verhaal..
Blok na blok, zowel in de rijkere
als armere wijken, zie je overal de symbolen van de Internet-kabines. Veel
daarvan zijn onofficieel, gewoon families die hun PC per uur verhuren in
hun eigen huiskamer. Mensen staan in de rij om gebruik te maken van het
Internet, om de heel simpele reden dat het voor hen de goedkoopste communicatievorm
is. Een cabina rekent voor een uur e-mail evenveel aan als de prijs van
een postzegel voor een postkaartje naar de V.S.
In Lima is de favorietste applicatie
niet het zenden van e-mail, maar het on line chatten met familie op andere
continenten. Oorspronkelijk met getypte tekst, is dat babbeltje hoe langer
hoe meer overgeschakeld naar het gesproken woord - internet-telefonie.
In het één-persoon-één-machine universum van
Noord-Amerika en Europa is Internet-telefonie een haast exotische toepassing.
In Peru zijn er niet veel mensen die zich een PC kunnen veroorloven; in
het veel-personen-één-machine universum van het zuidelijk
halfrond zijn de cabinas dan ook bloeiende bedrijfjes, zelfs voor de armere
inwoners van Lima.
Peru staat echter niet alleen. Locale
versies van de Internet cabinas vind je ook terug in Senegal, waar families
kontakt willen houden met hun verwanten in Frankrijk en andere francofone
landen. Ook in Mali, dat bij de V.N. geboekstaafd staat als een van de
armste landen ter wereld, vind je zulke kiosken. Het kan er 45 minuten
duren om een lange-afstands telefoonverbinding te leggen met Europa of
Noord-Amerika, en de prijs van zulk gesprek is evenredig duur als het wachten
lang is. Maar op een zanderige weg nabij het centrum van Mali's hoofdstad
kan iedereen die kan typen, toegang krijgen tot de informatiesnelweg.
Het Internet heeft echter een impact
op heel wat meer mensen dan degenen die gebruik maken van deze kiosken.
Tijdens de militaire dictatuur in Nigeria heeft Babefemi Ojudi zijn eigen
dissidente krantje kunnen uitgeven vanop zijn laptop. Hij stelde reporters
aan, ontving hun bijdrage per e-mail, terwijl hij voortdurend op de loop
was voor de politie. Eens per dag zond hij de bewerkte verhalen naar klandestiene
drukkerijen in het hele land, en enkele uren later lag het krantje in de
nieuwsstands - onder de toonbank, waar betrouwbare klanten het ongecensureerde
verslag konden lezen van de daden van de dictatuur. Veel mensen zijn er
niet on line in Senegal, maar iedereen kan de vruchten van het Internet
plukken.
Afrikaanse journalisten hebben getuigenis
afgelegd van de manier waarop het Internet een van hun meest gewaardeeerde
instrumenten geworden is om de persvrijheid te beveiligen en verdedigen.
Telkens een journalist bedreigd wordt of in de gevangenis belandt, wordt
het Net gebruikt om e-mail campagnes te organiseren.
Powell voegt er fijntjes aan toe
dat het veel-personen-voor-één-computer model ook in de V.S.
van toepassing is. Toen beslist werd dat Arizona de eerste staat zou worden
waar de kiezer zijn stem on line zou kunnen uitbrengen, gingen er bezorgde
stemmen op over een "digitale kloof" die minderheden en mensen met een
laag inkomen zou benadelen. Toen de resultaten district per district vergeleken
werden, bleef niets over van die digitale kloof. De kiezers in de afgelegen
gebieden en de reservaten hadden gestemd via laptops in gemeenschapscentra
en ontmoetingsplaatsen. Ook hier was de bezorgdheid over de digitale kloof
ingegeven door een verkeerd beeld van de kiezer: niet één
gebruiker die thuis achter een machine zit met de stekker in de muur, maar
veel on line kiezers die laptops met elkaar delen in afgelegen gebieden.
Om terug te komen op Bill Gates:
sommige mensen zijn in hun voorstellingsvermogen beperkt tot hun eigen
visie op geschiedenis en kultuur. Maar alhoewel ontelbare miljoenen mensen
arm zijn en geen elektriciteit hebben, kijken ze tv. En het Internet verspreidt
zich nog sneller dan tv. Het brengt diensten, informatie én ontspanning
naar een brede bevolking - maar op een andere manier wij gewend zijn. En
daarom zijn computers misschien wel even belangrijk als voedselhulp.
Bron:
Hardware
or health care?
Net
Sustenance
IBS november 2000
|